Josephus Geldolphus van Ryckel werd geboren op het kasteel te Oirbeek bij Thienen in 1581 als zoon een adellijke familie van Hesbay. Hij studeerde fraaie letteren en wijsbegeerte in de Valk te Leuven. Daarna reguliere kanunnik te Sint-Geertrui te Leuven, waar hij in 1602 de kloosterbelofte aflegde. 

Josephus G. van Ryckel werd gekozen tot onder-prior en op 21 juni 1616 benoemd tot pastoor van Oisterwijk (tot 1626). Hij ging voort met het herstellen der kerk, en voerde opnieuw de plechtige diensten in. Hij werd in 1626 de laatste ongemijterde abt in Leuven). Hij herstelde en vernieuwde de abdijgebouwen, die onder de troebele tijden veel hadden geleden, verfraaide de kerk en liet de nodige reparaties aanbrengen aan de toren. Vooral zorgde de abt voor het onderhoud en het vermeerderen van de bibliotheek. 

Van Rycke zelf was een productief schrijver wiens werken de levens en wonderen van talloze heiligen vastlegden, wat een belangrijke bijdrage leverde aan de rijke traditie van de hagiografie in de katholieke kerk. Zijn geschriften werden veel gelezen en bewonderd, en zijn invloed reikte tot buiten de grenzen van Vlaanderen, waardoor hij een gerespecteerd figuur werd in Europese literaire kringen.

Zijn grote ijver voor de godsvrucht van zielen in het vagevuur (hij schreef er drie werken over) deed hem besluiten in 1630 een broederschap voor overledenen op te richten. In zijn werken laat hij zich kennen als Maria-vereerder. In 1617 had hij te Oisterwijk een broederschap opgericht van O.L. Vr. van den Rozenkrans, dat weldra 3000 leden telde. Hij overleed te Leuven op 21 oktober 1642. Zijn grafmonument verdween in 1798, toen alles in de abdij verkocht werd.

Literatuur: A. Huijbers, Oud Oisterwijk (Oisterwijk 1923); Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (deel 5)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *