Burgemeester Sjef Suijs werd in 1823 geboren in ’s-Hertogenbosch als zoon van een koek- en banketbakker. Suijs promoveerde in 1851 in Leiden. In 1871 trouwde hij met Henriette Simonis. 

Hij was lid van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant (1868-1877) en speelde een belangrijke rol in de ‘Oisterwijkse schoolstrijd’. In 1870 verhuisde hij naar een huis op De Lind met een tuin die bij de Voorste Stroom uitkwam. Na zijn huwelijk woonde hij daar met zijn vrouw, twee kinderen uit haar vorige huwelijk en hun gezamenlijke zoon. 

Suijs was een exponent van de liberale “papo-Thorbeckianen”. Hij was sterk van mening dat de wet boven de religie stond en dat dus de Wet op het Lager Onderwijs ook door katholieken loyaal uitgevoerd moest worden. Anderzijds hadden de bisschoppen zich in een mandement van 1868 uitgesproken tegen neutraal openbaar onderwijs. In de bijna 10 jaren die volgde voerde hij een felle strijd met o.a. pastoor van Beugen over benoemingen van katholieke onderwijzers. 

In het voorjaar van 1877 was Suijs als gedeputeerde gewipt door een door de geestelijkheid gesteunde tegenkandidaat. Suijs werd vervolgens in 1877 wel als raadslid gekozen, maar een raadsmeerderheid weigerde zijn benoeming goed te keuren omdat de stemming niet juist zou zijn verlopen. Echter Gedeputeerde Staten verklaarden de stemming wel geldig. 

Uitgerekend Suijs werd door het liberale kabinet in 1878 benoemd tot nieuwe burgemeester van Oisterwijk, als opvolger van de zieke burgemeester Vogels. Daarmee stond het Oisterwijkse raadhuis op stelten. Binnen de katholieke gemeenschap gold Suijs als een moderne bestuurder die goede banden had met de protestantse, liberale en intellectuele elite van het dorp. De geestelijkheid en de katholieke middenstanders en boeren beschouwden Suijs en zijn politieke vrienden echter als een elitaire club die neerkeek op hen. 

In 1878 vermeerderde de hoofdelijke omslag (een gemeentelijke belasting) voor meervermogenden. Niemand protesteerde … behalve pastoor Van Beugen. En die kreeg gelijk van de meerderheid van de raad en Gedeputeerde Staten. Suijs nam op 19 oktober 1879 ‘op eigen verzoek’ en moegestreden ontslag als burgemeester en vervolgens als raadslid. Als burgemeester werd hij opgevolgd door Canters

In 1880 verkocht Suijs zijn huis aan De Lind aan de fabrikant Frederik Arnold Holleman. Zijn buitenverblijf werd door pastoor Van Beugen aangekocht met de bedoeling er een klooster te vestigen voor uit Frankrijk verdreven geestelijken. 

Suijs vertrok op 31 januari 1880 naar Amsterdam, waar hij zich vestigde als advocaat. In 1884 ging hij naar het buitenland. In het Zuid-Franse Nice was hij nog in functie als advocaat en hij overleed op 7 maart 1889 in Nice. 

Literatuur: J.J. Suijs, De Oisterwijksche schoolkwestie met hare officieele bescheiden, uit mijn archief (Den Bosch 1877); P. Wuisman, Praat van de straat (Oisterwijk 1987); Ad van den Oord, ‘De taaie strijd tussen Mr. Suijs en pastoor van Beugen, de schoolkwestie als begin van de Oisterwijkse verzuiling’, De Kleine Meijerij 41 (1990) 64-69.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *